Voor de invoering van de euro in 2002 was de nationale munt van Spanje de peseta. De peseta was de officiële valuta van het land sinds de 19e eeuw en werd gebruikt voor alle financiële transacties in Spanje.
De peseta was onderverdeeld in 100 céntimos en had verschillende denominaties, waaronder munten van 1, 5, 10, 25, 50, 100, 200 en 500 peseta’s, en bankbiljetten van 1000, 2000, 5000 en 10.000 peseta’s. De peseta was een belangrijk onderdeel van de Spaanse economie en werd gebruikt voor alles, van dagelijkse boodschappen tot grote aankopen en investeringen.
Echter, met de toenemende globalisering en de groeiende economische integratie in Europa, besloot Spanje samen met 11 andere Europese landen de euro in te voeren als de gemeenschappelijke valuta. Op 1 januari 2002 werd de peseta officieel vervangen door de euro en werden alle prijzen en financiële transacties in Spanje omgezet naar de nieuwe valuta.
De invoering van de euro bracht vele voordelen met zich mee voor Spanje, zoals het wegnemen van wisselkoersschommelingen en het vergemakkelijken van internationale handel en reizen binnen de Europese Unie. Het maakte het ook makkelijker voor Spaanse bedrijven om zaken te doen in andere Europese landen en stimuleerde de economische groei en welvaart.
Hoewel de peseta nu alleen nog maar een herinnering is, wordt de oude munt nog steeds gebruikt in sommige nostalgische contexten en als verzamelobject. De euro heeft zich echter stevig gevestigd als de valuta van Spanje en de rest van de eurozone en blijft een belangrijk onderdeel van de Europese economie.