De Joodse religieuze stroming die ook in Jezus dagen bestond, was het farizeïsme. De farizeeën waren een groep Joodse geleerden en religieuze leiders die zich kenmerkten door hun nadruk op de naleving van de Joodse wetten en tradities. Ze geloofden sterk in het belang van het bestuderen en interpreteren van de Thora, de heilige geschriften van het Jodendom, en streefden ernaar om hun geloof in praktijk te brengen in hun dagelijks leven.
De farizeeën waren een invloedrijke groep binnen de Joodse samenleving van die tijd en hadden veel aanhangers onder het gewone volk. Ze stonden bekend om hun strengheid en toewijding aan de wet, maar ook om hun zorg voor de behoeftigen en zieken. Ze geloofden in een leven na de dood en in de opstanding der doden, en hadden een sterke verwachting van een toekomstige messiaanse tijd waarin God zijn koninkrijk op aarde zou vestigen.
Jezus zelf had regelmatig interactie met farizeeën tijdens zijn leven en zijn leer vertoont enige overeenkomsten met hun geloof en praktijken. Hij bekritiseerde echter ook vaak hun hypocrisie en formalisme, en benadrukte het belang van het innerlijke geloof en de liefde voor God en de medemens boven uiterlijke naleving van de wet.
Hoewel het farizeïsme na de verwoesting van de Tweede Tempel in het jaar 70 na Christus langzaam verdween als een georganiseerde groep, hebben hun ideeën en tradities een blijvende invloed gehad op het Jodendom en de latere ontwikkeling van het christendom. De farizeeën hebben bijgedragen aan de vorming van de rabbijnse traditie en de interpretatie van de Thora, en hun nadruk op ethiek en praktische religiositeit is nog steeds voelbaar in het moderne Jodendom.