Het arme schaap stond daar in de wei, haar witte vacht glanzend in de zon. Ze had net heerlijk gras gegeten en genoot van de rust om haar heen. Maar plotseling veranderde haar geluk in een grote tegenslag.
Een groepje honden kwam blaffend de wei binnenrennen. Ze waren wild en agressief en hadden het arme schaap al snel in het vizier. Het schaap probeerde weg te rennen, maar haar dikke vacht belemmerde haar bewegingen. De honden waren snel en voor ze het wist, hadden ze haar ingesloten.
Het arme schaap probeerde zich te verdedigen, maar het mocht niet baten. De honden beten en scheurden aan haar vacht, tot het arme dier bloedend en kreunend op de grond lag. Het was een verschrikkelijk gezicht en het schaap voelde zich hulpeloos en bang.
Gelukkig kwam de boer snel aangerend en wist de honden weg te jagen. Hij tilde het gewonde schaap op en bracht haar naar de stal, waar hij haar wonden verzorgde en haar troostte. Het arme schaap was erg geschrokken en had veel pijn, maar gelukkig zou ze weer herstellen.
Voor het arme schaap was het een grote tegenslag. Ze had zich zo veilig gevoeld in de wei, maar werd plotseling aangevallen door wilde honden. Gelukkig kwam ze er met wat wonden en blauwe plekken vanaf, maar het had veel erger kunnen aflopen.
Het incident herinnerde het schaap eraan dat de wereld buiten de wei niet altijd veilig is. Ze zou voortaan beter uitkijken en alert zijn op gevaar. Maar voor nu was ze vooral dankbaar dat de boer haar had gered en dat ze weer veilig was in de stal. Het arme schaap zou deze tegenslag nooit vergeten, maar ze wist dat ze er sterker uit zou komen.