Hij rende naar binnen om de voetenwarmer te halen.
Het was een koude winteravond en de sneeuw dwarrelde naar beneden. Hij had net de auto geparkeerd en wilde snel naar binnen om op te warmen. Maar toen hij bij de voordeur stond, realiseerde hij zich dat hij zijn voetenwarmer was vergeten.
Hij twijfelde even, maar besloot toen toch om terug te rennen naar de auto. De kou sneed in zijn gezicht en zijn voeten voelden als ijsklompjes. Hij kon niet wachten om de warme voetenwarmer aan te trekken.
Eenmaal terug bij de auto griste hij de voetenwarmer van de bijrijdersstoel en rende weer terug naar de voordeur. Hij opende snel de deur en haastte zich naar de woonkamer. Daar plofte hij neer op de bank en trok de voetenwarmer aan.
De warmte verspreidde zich langzaam door zijn voeten en hij voelde de kou langzaam uit zijn lijf verdwijnen. Hij sloot zijn ogen en genoot van het comfort en de rust. De voetenwarmer had zijn avond gered.
De volgende keer zal hij die voetenwarmer niet meer vergeten, dacht hij bij zichzelf. Het was een lesje dat hij zichzelf wel had geleerd. Vanaf nu zou hij altijd goed voorbereid zijn op de koude winteravonden.