Pesach, ook bekend als het Joodse feest van de Uittocht, herinnert aan de gebeurtenis waarbij het Joodse volk onder leiding van Mozes uit Egypte trok en hun vrijheid herwonnen. Dit feest duurt zeven of acht dagen en wordt elk jaar gevierd in de lente, volgens de Joodse kalender.
Tijdens Pesach herdenken Joden de wonderbaarlijke gebeurtenissen die plaatsvonden tijdens de uittocht, zoals de tien plagen die Egypte troffen en de doortocht door de Rode Zee. Het is een periode van reflectie, dankbaarheid en verbondenheid met de geschiedenis van het Joodse volk.
Een van de belangrijkste rituelen tijdens Pesach is het eten van matses, ongerezen brood dat herinnert aan de haastige vertrek uit Egypte toen er geen tijd was om het brood te laten rijzen. Daarnaast worden er speciale symbolische gerechten gegeten, zoals het bittere mierikswortel en het zoete charoset, om de bitterheid van de slavernij en de zoetheid van vrijheid te symboliseren.
Pesach is ook een tijd van samenzijn en het delen van maaltijden met familie en vrienden. Het is een feest dat generaties lang wordt doorgegeven en waarbij tradities en verhalen centraal staan. Door het vieren van Pesach blijft de herinnering aan de uittocht uit Egypte levend en wordt de vrijheid en het geloof in de toekomst gevierd.