Vroeger, toen de medische wetenschap nog in de kinderschoenen stond, waren chirurgische ingrepen lang niet zo geavanceerd als nu. Een van de meest voorkomende ouderwetse chirurgische ingrepen waarbij bloed werd afgetapt, was aderlating.
Aderlating, ook wel bekend als flebotomie, was een veelvoorkomende medische praktijk die al eeuwenlang werd toegepast. Het idee achter aderlating was dat het afnemen van een bepaalde hoeveelheid bloed uit het lichaam zou helpen bij het genezen van ziektes en het herstellen van de balans in het lichaam.
Deze praktijk was gebaseerd op de oude Griekse humoraaltheorie, die stelde dat het menselijk lichaam bestond uit vier humoren: bloed, slijm, gele gal en zwarte gal. Een onevenwichtige verhouding van deze humoren werd gedacht aanleiding te geven tot ziektes en aandoeningen. Door bloed af te tappen, dacht men de balans te kunnen herstellen en de patiënt te genezen.
Aderlating werd toegepast bij een breed scala aan aandoeningen, variërend van koorts en ontstekingen tot hoofdpijn en zelfs psychische stoornissen. Ook werd het regelmatig toegepast als preventieve maatregel om ziektes te voorkomen.
De procedure van aderlating was relatief eenvoudig. Een ader werd aangeprikt met een scherpe naald en het bloed werd opgevangen in een speciale bak of kom. Vaak werd er een bepaalde hoeveelheid bloed afgetapt, die varieerde afhankelijk van de aandoening en de ernst ervan.
Hoewel aderlating lange tijd een gangbare medische praktijk was, wordt het tegenwoordig niet meer toegepast in de moderne geneeskunde. Wetenschappelijk onderzoek heeft aangetoond dat aderlating weinig tot geen effect heeft op het genezingsproces en zelfs schadelijk kan zijn voor de patiënt.
Al met al is aderlating een interessant voorbeeld van een ouderwetse chirurgische ingreep waarbij bloed werd afgetapt. Hoewel het vroeger veel werd toegepast, is het nu gelukkig vervangen door meer effectieve en veilige medische behandelingen.