In 1988 verscheen de studie “Overvloed en Onbehagen” van de Britse historicus Van Wie. Dit boek is een baanbrekend werk dat op een vernieuwende manier kijkt naar de relatie tussen welvaart en welzijn in de westerse samenleving.
Van Wie begint zijn boek met een analyse van de welvaartsgroei die de westerse wereld heeft doorgemaakt sinds de industriële revolutie. Hij wijst op het feit dat de welvaart en het materiële comfort enorm zijn toegenomen, maar dat dit niet heeft geleid tot een evenredige toename van het geluksgevoel bij mensen. Sterker nog, volgens Van Wie ervaren veel mensen juist een gevoel van onbehagen in een samenleving die overvloed kent.
De historicus gaat dieper in op de oorzaken van dit onbehagen en wijst onder andere op de individualisering van de maatschappij, de veranderende normen en waarden en de impact van de consumptiemaatschappij. Hij betoogt dat de focus op materiële welvaart en het najagen van steeds meer bezittingen niet per se leidt tot meer geluk en tevredenheid, maar eerder tot gevoelens van leegte en onrust.
Van Wie pleit in zijn boek voor een herwaardering van andere vormen van welzijn, zoals sociale relaties, persoonlijke ontwikkeling en zingeving. Hij roept op tot een heroverweging van onze maatschappelijke waarden en normen, en een meer holistische benadering van welvaart en welzijn.
“Overvloed en Onbehagen” is een belangrijk werk dat ons aan het denken zet over de betekenis van welvaart en welzijn in onze moderne samenleving. Het boek biedt een kritische blik op de keerzijde van de welvaartsgroei en geeft stof tot nadenken over hoe we als samenleving een gezonde balans kunnen vinden tussen materiële welvaart en geestelijk welzijn. Van Wie’s studie is dan ook nog steeds relevant en actueel, meer dan 30 jaar na de publicatie.