Hij loopt hard heen en weer.
Hij is druk bezig met het rennen van de ene kant naar de andere. Zijn pas is snel en zijn ademhaling zwaar. Hij lijkt geen moment stil te staan, altijd in beweging.
De reden voor zijn constante rennen is niet helemaal duidelijk. Misschien heeft hij haast, moet hij ergens op tijd zijn. Of misschien is het gewoon zijn manier van ontspannen, van zijn energie kwijt raken.
Wat het ook is, hij lijkt er plezier in te hebben. Zijn gezicht straalt van de inspanning en zijn ogen twinkelen van opwinding. Hij geniet van het gevoel van de wind door zijn haren, van de adrenaline die door zijn aderen stroomt.
Voorbijgangers kijken hem verbaasd na, zich afvragend wat hem zo in beweging houdt. Sommigen lachen om zijn enthousiasme, anderen schudden hun hoofd en lopen door.
Maar hij trekt zich er niets van aan. Hij rent door, heen en weer, zijn hartslag versnellend, zijn spieren brandend. Hij voelt zich levend, krachtig, vrij.
En zo zal hij blijven rennen, tot hij niet meer kan. Tot zijn benen hem niet meer dragen, zijn longen geen adem meer kunnen halen. Maar tot die tijd zal hij genieten van het gevoel van snelheid, van vrijheid, van leven. Hij loopt hard heen en weer.