Voor de invoering van de euro in 2002 was de nationale munt van Spanje de peseta. De peseta was de officiële munteenheid van Spanje sinds 1868 en verving de vorige munteenheid, de real. De peseta werd gebruikt in Spanje en haar overzeese gebieden, zoals de Canarische Eilanden en de Balearen.
De peseta was onderverdeeld in 100 céntimos en werd uitgegeven in munten en bankbiljetten. De munten varieerden in waarde van 1 céntimo tot 500 peseta’s, terwijl de bankbiljetten beschikbaar waren in coupures van 1000, 2000, 5000 en 10.000 peseta’s, onder andere.
Gedurende de geschiedenis van de peseta heeft de munt verschillende ontwerpen en afbeeldingen gehad, die de rijke culturele en historische achtergrond van Spanje weerspiegelden. De peseta was een belangrijk onderdeel van het dagelijks leven in Spanje en werd gebruikt voor alle transacties, van boodschappen doen tot het betalen van rekeningen.
Echter, met de toenemende globalisering en de wens van Europese landen om economisch en monetair samen te werken, besloot Spanje om deel te nemen aan de invoering van de euro als gemeenschappelijke munt voor de Europese Unie. Op 1 januari 2002 werd de peseta officieel vervangen door de euro en werden alle prijzen en transacties in Spanje omgezet naar de nieuwe valuta.
Hoewel de peseta nu alleen nog maar een herinnering is, blijft de munt een belangrijk onderdeel van de Spaanse geschiedenis en cultuur. Veel Spanjaarden koesteren nog steeds hun oude peseta’s als aandenken aan een tijdperk dat voorbij is. De invoering van de euro heeft Spanje echter geholpen om nauwer samen te werken met andere Europese landen en heeft de handel en het reizen binnen de Eurozone vergemakkelijkt.